In 1642 leverde Rembrandt van Rijn een groot schuttersstuk af voor de Kloveniersdoelen in Amsterdam. Wat de opdrachtgevers verwachtten, was een herkenbaar groepsportret. Wat zij kregen, was iets anders: een schilderij vol beweging, lichtflitsen en spanning. Dat werk kennen we nu als De Nachtwacht. Het zegt veel over Rembrandt. Hij volgde de regels van zijn vak, maar boog ze net zo gemakkelijk om als het schilderij daar sterker van werd.
Rembrandt Harmenszoon van Rijn werd geboren op 15 juli 1606 in Leiden en overleed op 4 oktober 1669 in Amsterdam. Hij was schilder, tekenaar en etser, en geldt als een van de belangrijkste kunstenaars uit de Nederlandse zeventiende eeuw. Zijn werk is nog altijd direct herkenbaar: niet alleen door het spel van licht en donker, maar vooral door de aandacht waarmee hij naar mensen keek. In zijn portretten, bijbelse voorstellingen en zelfportretten lijken gezichten nooit alleen maar afgebeeld; ze lijken iets prijs te geven.
Dat maakt ook zijn levensverhaal zo boeiend. Rembrandt kende vroeg succes, werkte voor rijke opdrachtgevers, leidde leerlingen op en bouwde een indrukwekkende verzameling kunst en curiosa op. Tegelijk kreeg hij te maken met verlies, schulden en een faillissement. Die uitersten lopen door zijn biografie heen, net als door zijn werk.
Jeugd van Rembrandt van Rijn in Leiden
Rembrandt werd geboren in Leiden als zoon van Harmen Gerritszoon van Rijn, een molenaar, en Neeltgen Willemsdochter van Zuytbrouck. Zijn familie was niet arm, en dat gaf hem de kans onderwijs te volgen. Hij ging naar de Latijnse school en werd in 1620 korte tijd ingeschreven aan de universiteit van Leiden. Lang bleef hij daar niet. De schilderkunst trok meer.
Hij leerde eerst bij Jacob van Swanenburgh in Leiden en ging daarna, waarschijnlijk rond 1624, voor enkele maanden in de leer bij Pieter Lastman in Amsterdam. Vooral die laatste was belangrijk. Lastman schilderde historiestukken vol gebaren, emotie en dramatische momenten. Rembrandt nam daar iets van over, maar maakte het al snel persoonlijker en indringender.
Terug in Leiden begon hij omstreeks 1625 als zelfstandig kunstenaar. In die jaren werkte hij nauw samen met Jan Lievens, een andere jonge, ambitieuze schilder. Ze deelden geen officieel gezamenlijk atelier in moderne zin, maar trokken wel intensief met elkaar op en werden al vroeg als opvallende talenten gezien. In Leiden ontstond de basis van wat later typisch Rembrandt zou heten: sterke lichtcontrasten, veel aandacht voor expressie en een voorkeur voor verhalen waarin mensen niet statig, maar levend aanwezig zijn.
De stap naar Amsterdam
Rond 1631 vertrok Rembrandt van Rijn naar Amsterdam, de stad waar het geld, de opdrachtgevers en de kunsthandel samenkwamen. Daar werkte hij enige tijd via het netwerk van kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh. Voor een jonge schilder was dat een beslissende stap. Amsterdam bood niet alleen meer werk, maar ook een publiek dat bereid was goed te betalen voor portretten en grote historiestukken.
Zijn doorbraak kwam in 1632 met De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp. Het onderwerp was niet nieuw: groepsportretten van chirurgijns bestonden al. Maar Rembrandt maakte er geen stijve rij hoofden van. Hij bracht de mannen in een gezamenlijk moment van aandacht bijeen. Het licht valt op het lichaam, op de handen, op de gezichten die kijken en uitleggen. Daardoor kreeg het schilderij een dramatiek die in dit genre ongewoon was.
In deze jaren groeide zijn reputatie snel. Hij kreeg belangrijke portretopdrachten en begon ook als etser naam te maken. Zijn prenten verspreidden zich veel gemakkelijker dan zijn schilderijen en bereikten een internationaal publiek. Dat speelde een grote rol in zijn bekendheid, al is moeilijk precies vast te stellen hoe ver die al tijdens zijn leven reikte.
Saskia, het huis aan de Breestraat en een druk atelier
In 1634 trouwde Rembrandt met Saskia van Uylenburgh, een nicht van Hendrick Uylenburgh. Zij kwam uit een welgestelde Friese familie. Het huwelijk viel samen met een periode van voorspoed. Rembrandt verdiende goed, nam leerlingen aan en kocht in 1639 een groot huis aan de Jodenbreestraat in Amsterdam, het pand dat nu bekendstaat als het Rembrandthuis.
Het huishouden kende tegelijk veel verdriet. Rembrandt en Saskia kregen vier kinderen, maar drie van hen stierven kort na de geboorte. Alleen Titus, geboren in 1641, bleef in leven. Een jaar later, in 1642, overleed Saskia, waarschijnlijk aan tuberculose.
Het atelier van Rembrandt was in deze jaren een levendige werkplaats. Leerlingen kwamen er niet alleen om techniek te leren, maar ook om mee te werken aan schilderijen en studies. Dat atelier droeg sterk bij aan zijn reputatie en inkomsten. Tegelijk zorgt het tot op heden voor vragen over toeschrijving. Niet elk werk dat vroeger zonder meer aan Rembrandt werd toegeschreven, geldt nu nog als volledig eigenhandig. Kunsthistorici maken daarin onderscheid tussen werk van Rembrandt zelf, werk uit zijn atelier en schilderijen van leerlingen die dicht bij zijn stijl bleven.
De grote werken van Rembrandt
Wie aan Rembrandt denkt, denkt vaak eerst aan De Nachtwacht uit 1642. De huidige titel is overigens later ontstaan; het schilderij was oorspronkelijk veel helderder van toon, maar werd in de loop der tijd donkerder door vernis en vervuiling. De officiële titel verwijst naar kapitein Frans Banninck Cocq en zijn compagnie. Juist dat schilderij laat zien hoe Rembrandt een groepsportret kon openbreken. De figuren staan niet netjes naast elkaar, maar lijken midden in een handeling te zijn betrapt.
Toch is zijn oeuvre veel breder. De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp markeert zijn opkomst. De Staalmeesters uit 1662 laat zien hoe krachtig hij ook later nog groepsportretten schilderde: beheerst, sober en toch levendig. Het Joodse bruidje, waarschijnlijk uit ongeveer 1665 tot 1669, behoort tot zijn beroemdste late werken. Die titel is negentiende-eeuws en zegt waarschijnlijk niets over de oorspronkelijke voorstelling; over de precieze identiteit van het afgebeelde paar bestaat geen zekerheid.
Ook de zelfportretten nemen een bijzondere plaats in. Het precieze aantal hangt af van wat men meetelt, maar het gaat om tientallen schilderijen, etsen en tekeningen, gemaakt van zijn jonge jaren tot kort voor zijn dood. Samen vormen ze geen dagboek in letterlijke zin, maar wel een uitzonderlijke reeks waarin een kunstenaar zichzelf steeds opnieuw onderzoekt: trots, vermoeid, nieuwsgierig, soms bijna onverbiddelijk eerlijk.
Licht en donker, verf en etsen
Rembrandt wordt vaak een meester van het clair-obscur genoemd, het sterke contrast tussen licht en donker. Dat is terecht, al zit zijn kracht niet alleen in dat effect. Hij gebruikte licht om de blik te sturen: naar een gezicht, een hand, een gebaar dat het verhaal draagt. In zijn latere werk werd ook de verfbehandeling steeds opvallender. Hij schilderde dik, ruw en tastbaar, alsof huid, stof en metaal niet alleen zichtbaar maar bijna voelbaar moesten worden.
Opvallend is dat hij nooit naar Italië reisde, terwijl veel kunstenaars uit zijn tijd dat wel deden. Toch kende hij de invloed van Caravaggio en diens navolgers, waarschijnlijk via prenten, schilderijen en kunstenaars in de Republiek die dat idioom al hadden verwerkt. Rembrandt nam zulke invloeden op, maar maakte er iets eigens van. Bij hem draait het drama minder om theatrale poses en meer om innerlijke spanning.
Naast schilderijen maakte hij een groot aantal etsen. Daarin was hij even vernieuwend als op doek. Hij behandelde de ets niet als een middel om een afbeelding simpelweg te vermenigvuldigen, maar als een zelfstandig kunstwerk. Hij werkte platen in verschillende staten bij, experimenteerde met toon en lijn, en bereikte daarmee een zeldzame levendigheid.
Relaties, conflicten en verlies
Na de dood van Saskia werd Rembrandts privéleven ingewikkelder. Geertje Dircx, die in huis kwam als verzorgster van Titus, kreeg een relatie met hem. Die verhouding liep uit op een bitter conflict. Geertje beschuldigde hem ervan een huwelijksbelofte te hebben gedaan; uiteindelijk belandde zij in het Spinhuis in Gouda. Over de precieze toedracht verschillen de bronnen en interpretaties, maar duidelijk is dat de zaak Rembrandt niet onberoerd liet.
Later kreeg hij een duurzame relatie met Hendrickje Stoffels, die eveneens in zijn huishouden werkte. Met haar kreeg hij in 1654 een dochter, Cornelia. Omdat Rembrandt na Saskia’s dood niet opnieuw trouwde, vermoedelijk ook om financiële redenen rond Saskia’s testament, leefden hij en Hendrickje ongehuwd samen. Dat riep kritiek op. In 1654 moest Hendrickje voor de kerkeraad verschijnen wegens “hoererij”, een teken van hoe nauw privéleven en publieke moraal in die tijd met elkaar verweven waren.
Ook in zijn latere jaren bleef verlies zich opstapelen. Hendrickje overleed in 1663. Titus, zijn enige wettige zoon die volwassen werd, stierf in 1668. Rembrandt zelf overleed een jaar later.
Verzameldrift, schulden en faillissement
Rembrandt verdiende lange tijd goed, maar gaf ook veel uit. Hij kocht kunst, prenten, wapens, kostuums, exotische voorwerpen, beelden en naturalia. Die verzameling was geen vrijblijvende hobby. Zulke objecten dienden als studiemateriaal, als inspiratiebron en soms als rekwisiet in zijn werk. Tegelijk kostte die levensstijl hem veel geld.
In 1656 werd hij failliet verklaard. Daarna werden zijn bezittingen en zijn huis geïnventariseerd en verkocht. Die inventaris is voor kunsthistorici van onschatbare waarde, omdat hij laat zien wat zich in zijn huis bevond en hoe breed zijn belangstelling was. Waarom het financieel misging, is niet tot één oorzaak te herleiden. Zijn hoge uitgaven speelden mee, maar ook een veranderende kunstmarkt, teruglopende opdrachten en mogelijk een te optimistische omgang met krediet.
Na het faillissement werd een constructie opgezet waarbij Hendrickje en Titus een kunsthandel dreven, zodat Rembrandt kon blijven werken zonder dat schuldeisers direct alles konden opeisen. Het laat zien dat zijn laatste jaren niet eenvoudigweg als een rechte lijn van roem naar armoede zijn te beschrijven. Hij bleef werken, verkopen en opdrachten ontvangen, al was zijn positie kwetsbaarder dan voorheen.
De laatste jaren van Rembrandt van Rijn
In zijn laatste levensfase schilderde Rembrandt met een vrijheid die latere generaties diep heeft getroffen. De verf werd losser, de composities stiller, de gezichten ernstiger. Werken uit deze jaren, waaronder De Staalmeesters en verschillende late zelfportretten, tonen geen kunstenaar die opgeeft, maar iemand die steeds verder vereenvoudigt en verdiept.
Rembrandt van Rijn stierf op 4 oktober 1669 in Amsterdam en werd begraven in de Westerkerk. Hij liet geen fortuin na, wel een omvangrijk en invloedrijk oeuvre van schilderijen, tekeningen en etsen. Zijn naam bleef niet alleen verbonden aan afzonderlijke meesterwerken, maar ook aan een manier van kijken: aandachtig, zonder opsmuk, met ruimte voor kwetsbaarheid en waardigheid tegelijk.
Daarom blijft Rembrandt van Rijn zo aanwezig. Niet alleen als beroemd schilder uit de Gouden Eeuw, maar als kunstenaar die in gezichten, gebaren en licht iets wist te vangen dat moeilijk oud wordt.
FAQ
Wanneer werd Rembrandt van Rijn geboren?
Rembrandt werd geboren op 15 juli 1606 in Leiden.
Waar woonde Rembrandt van Rijn?
Hij woonde eerst in Leiden en vestigde zich rond 1631 in Amsterdam, waar hij de rest van zijn leven bleef.
Wat is het bekendste schilderij van Rembrandt?
Dat is De Nachtwacht uit 1642, al is de huidige titel later ontstaan.
Met wie was Rembrandt getrouwd?
In 1634 trouwde hij met Saskia van Uylenburgh. Na haar dood had hij relaties met Geertje Dircx en later met Hendrickje Stoffels.
Had Rembrandt kinderen?
Ja. Met Saskia kreeg hij vier kinderen, van wie alleen Titus volwassen werd. Met Hendrickje Stoffels kreeg hij een dochter, Cornelia.


