1. Home
  2. Vakgebieden
  3. Denkers en filosofen
  4. Jean-Jacques Rousseau
Jean-Jacques Rousseau

Jean-Jacques Rousseau

9 min lezen

In de laatste maanden van zijn leven wandelde Jean-Jacques Rousseau door het park van Ermenonville, tussen water, bomen en stilte. Dat beeld past bijna te goed bij de man die de natuur, het gevoel en het innerlijke leven zo’n grote plaats gaf in zijn werk. Toch was zijn bestaan zelden rustig. Achter die late rust schuilde een leven vol omzwervingen, ruzies, armoede, succes en hardnekkige tegenstrijdigheden.

Jean-Jacques Rousseau werd geboren op 28 juni 1712 in Genève, toen een zelfstandige republiek. Hij stierf op 2 juli 1778 in Ermenonville, nabij Parijs. In de tussentijd groeide hij uit tot een van de invloedrijkste denkers van de achttiende eeuw. Hij was filosoof, schrijver, componist, muziektheoreticus en, in zijn latere jaren, een hartstochtelijk liefhebber van de plantkunde. Zijn werk raakte aan politiek, opvoeding, religie, muziek en autobiografie. Juist die breedte maakt hem nog altijd zo opvallend.

Een jeugd zonder vast houvast

Rousseau’s leven begon met verlies. Zijn moeder, Suzanne Bernard, stierf kort na zijn geboorte. Zijn vader, Isaac Rousseau, was horlogemaker en las met zijn zoon romans en klassieke teksten, maar verdween uit Genève na een conflict toen Jean-Jacques nog jong was. De jongen groeide daardoor niet op in een stabiel gezin of in een geleerde omgeving.

Vanaf 1725 werkte hij als leerjongen, eerst bij een notaris en daarna bij een graveur. Dat laatste leerlingschap beviel hem slecht. Rousseau zou later schrijven over vernedering en hardheid in die jaren, al moet men zijn eigen herinneringen altijd met enige voorzichtigheid lezen: zijn autobiografische werk is beroemd, maar niet onomstreden als historische bron.

In 1728 verliet hij Genève. Dat vertrek markeerde het begin van een zwervend bestaan. Hij kwam terecht in Savoye, onder meer in Annecy, waar hij werd opgevangen door Françoise-Louise de Warens, een vrouw die een beslissende rol in zijn vroege leven zou spelen. Zij werd eerst beschermvrouwe, later ook geliefde. Via haar maakte hij kennis met het katholicisme; Rousseau bekeerde zich toen tijdelijk, al keerde hij later weer terug naar het protestantisme van Genève.

Rousseau als autodidact

Wie naar Rousseau kijkt, ziet geen denker met een keurige academische loopbaan. Hij was in veel opzichten een autodidact. Hij had geen klassieke universitaire vorming, maar las veel, leerde onderweg en probeerde zich in uiteenlopende beroepen staande te houden. Hij werkte als bediende, secretaris, huisleraar, kopiist van muziek en muziekleraar.

Die onregelmatige weg is belangrijk om zijn werk te begrijpen. Rousseau schreef niet vanuit de zekerheid van een gevestigde professor, maar vanuit ervaring, onzekerheid en vaak ook sociale kwetsbaarheid. Misschien verklaart dat mede waarom zijn teksten zo vaak draaien om afhankelijkheid, ongelijkheid en de spanning tussen mens en maatschappij.

In Parijs raakte hij betrokken bij de kring rond Denis Diderot en de Encyclopédie. Voor dat grote verlichtingsproject schreef hij artikelen over muziek. Hij hoorde dus wel degelijk bij de intellectuele wereld van zijn tijd, maar bleef er ook een buitenstaander in. Dat dubbele zou hem zijn hele leven kenmerken.

De doorbraak van Jean-Jacques Rousseau

Rousseau’s naam werd in bredere kring bekend in 1750. Toen won hij de prijsvraag van de Académie de Dijon met zijn Discours sur les sciences et les arts, in het Nederlands vaak het Vertoog over de wetenschappen en kunsten genoemd. De vraag was of de vooruitgang van kunsten en wetenschappen de zeden had verbeterd. Rousseau antwoordde opvallend scherp: nee, beschaving en verfijning hadden de mens niet noodzakelijk beter gemaakt.

Dat was een provocerende stelling in een eeuw die vaak met vertrouwen sprak over vooruitgang en rede. Rousseau keerde zich niet eenvoudig tegen kennis op zichzelf, maar hij wantrouwde een samenleving waarin uiterlijk vertoon, ijdelheid en afhankelijkheid de overhand kregen. Hier tekent zich al een van zijn bekendste ideeën af: de gedachte dat de mens in zijn natuurlijke toestand minder verdorven is dan in een bedorven maatschappelijke orde.

Die formule wordt vaak samengevat als: de mens is van nature goed en wordt door de samenleving bedorven. Dat is niet helemaal onjuist, maar ook wat grof. Rousseau bedoelde niet dat de mens in de natuur moreel volmaakt zou zijn. Eerder stelde hij dat maatschappelijke verhoudingen, vooral ongelijkheid en wedijver, veel kwaad voortbrengen dat niet eenvoudig uit de menselijke natuur zelf volgt.

De grote werken: politiek, opvoeding en gevoel

In de jaren daarna schreef Rousseau de boeken waarmee zijn naam blijvend verbonden is.

In 1755 verscheen zijn Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes, het Vertoog over de ongelijkheid. Daarin onderzocht hij hoe ongelijkheid tussen mensen is ontstaan. Rousseau maakte onderscheid tussen natuurlijke verschillen en maatschappelijke ongelijkheid, die volgens hem samenhing met bezit, macht en erkenning.

In 1761 publiceerde hij Julie, ou la Nouvelle Héloïse. Dat was een roman, geen filosofisch traktaat, maar wel een enorm succes. Het boek sloeg aan door de nadruk op gevoel, de natuur en het innerlijke conflict. Daarmee werd Rousseau niet alleen een belangrijk denker, maar ook een schrijver die een breed lezerspubliek wist te raken.

Het jaar 1762 werd beslissend. Toen verschenen Du contrat social en Émile, ou De l’éducation.

Du contrat social, vaak in het Nederlands Het sociaal contract, behoort tot de beroemdste politieke teksten uit de moderne tijd. Rousseau stelde daarin de vraag hoe vrijheid mogelijk blijft in een samenleving met gezag en wetten. Zijn antwoord lag in de algemene wil (volonté générale): niet de wil van een vorst, maar het gemeenschappelijke belang moest richting geven aan de politieke orde. Dat idee heeft later veel invloed gehad, onder meer tijdens de Franse Revolutie, al is er discussie over hoe direct die invloed precies was en hoe revolutionairen Rousseau hebben gelezen.

Émile ging over opvoeding. Rousseau beschreef daarin hoe een kind zich zo natuurlijk mogelijk zou moeten ontwikkelen, met aandacht voor ervaring, vrijheid en de eigen groeifasen van het kind. Het boek was vernieuwend en invloedrijk, maar riep ook felle weerstand op, onder meer vanwege de religieuze passages. In Parijs en Genève werd het veroordeeld; er werden zelfs arrestatiebevelen tegen hem uitgevaardigd. Rousseau moest vluchten.

Vervolging, omzwervingen en wantrouwen

Na 1762 leefde Rousseau op verschillende plaatsen, onder meer in Neuchâtel, dat toen onder Pruisisch gezag stond, en later in Engeland. Hij verbleef in Môtiers en in 1766-1767 korte tijd in Wootton Hall, op uitnodiging van de Schotse filosoof David Hume.

Ook daar vond hij geen rust. Rousseau raakte ervan overtuigd dat anderen tegen hem samenspanden. Zijn conflicten met vroegere bondgenoten, onder wie Hume en Diderot, werden bitter. Tijdgenoten en latere biografen hebben vaak gewezen op achterdocht en mogelijk paranoïde trekken. Tegelijk is het goed om voorzichtig te blijven: Rousseau leefde werkelijk onder druk, werd veroordeeld, bespot en verdacht gemaakt. Niet al zijn wantrouwen kwam uit het niets voort.

In deze jaren trok hij zich steeds meer terug uit het openbare debat. Hij hield zich bezig met muziek kopiëren, wandelen en plantkunde. Die aandacht voor de natuur was geen pose uit zijn boeken, maar ook een praktische vorm van rust in een onrustig leven.

Privéleven en de hardnekkige schaduw over zijn naam

Vanaf ongeveer 1745 leefde Rousseau samen met Thérèse Levasseur, met wie hij in 1768 trouwde. Zij bleef jarenlang zijn vaste metgezel, ondanks de instabiliteit van zijn bestaan.

Toch wordt zijn privéleven vooral herinnerd om een veel pijnlijker feit: de vijf kinderen die hij met Thérèse kreeg, werden ondergebracht in het vondelingenhuis in Parijs. Rousseau erkende dit later zelf in zijn Bekentenissen. Juist omdat hij met Émile een beroemd boek over opvoeding schreef, is die keuze hem altijd zwaar aangerekend.

Daarover bestaat weinig verzachtends te zeggen, al plaatsen historici het wel in de context van de tijd. Het afstaan van kinderen aan een vondelingenhuis kwam in achttiende-eeuws Parijs vaker voor dan nu voorstelbaar is, vooral onder arme en onzekere ouders. Maar ook in die context bleef Rousseau’s beslissing omstreden, toen al en later des te meer. De spanning tussen zijn ideeën en zijn handelen hoort onvermijdelijk bij zijn biografie.

De Bekentenissen en het late werk

In zijn latere jaren schreef Rousseau steeds meer over zichzelf. Zijn Confessions, in het Nederlands Bekentenissen, verschenen postuum tussen 1782 en 1789. Het boek geldt vaak als een beslissend moment in de geschiedenis van de autobiografie. Soms wordt het zelfs de eerste moderne autobiografie genoemd, al is dat iets te stellig: er bestonden eerder al autobiografische werken, van Augustinus tot Montaigne. Wel gaf Rousseau aan zelfonderzoek, herinnering en persoonlijke openhartigheid een nieuwe intensiteit.

Ook in Rousseau juge de Jean-Jacques en de onvoltooide Rêveries du promeneur solitaire keerde hij naar zichzelf terug. Daarin verschijnt hij als een wandelaar en denker die zijn leven overziet, zich verdedigt tegen zijn vijanden en troost zoekt in observatie en overpeinzing. Het zijn teksten waarin de publieke polemist langzaam plaatsmaakt voor een meer beschouwelijke stem.

Dood en nalatenschap

In mei 1778 kwam Rousseau naar Ermenonville, op uitnodiging van markies René de Girardin. Daar stierf hij op 2 juli 1778, 66 jaar oud. Over de precieze medische oorzaak zijn verschillende berichten overgeleverd; gezondheidsproblemen speelden al langer een rol, maar latere verhalen hebben het beeld soms ook gekleurd.

Na zijn dood bleef Rousseau’s invloed groeien. Zijn politieke ideeën werkten door in het debat rond volkssoevereiniteit en burgerschap. Zijn opvattingen over opvoeding zouden pedagogen nog lang bezighouden. Zijn nadruk op gevoel, natuur en authenticiteit sloot aan bij wat later de Romantiek zou worden. En zijn autobiografische werk veranderde de manier waarop schrijvers over het eigen innerlijk konden schrijven.

Jean-Jacques Rousseau blijft daardoor een figuur die zich niet eenvoudig laat samenvatten. Hij was een kind van de Verlichting, maar ook een criticus van haar zelfvertrouwen. Hij schreef over vrijheid, terwijl hij zich vaak opgejaagd voelde. Hij dacht diep na over opvoeding, maar liet zijn eigen kinderen achter. Juist in die spanning schuilt zijn historische betekenis: niet als gladde held, maar als een denker wiens werk nog altijd vragen oproept.

Veelgestelde vragen

Wanneer leefde Jean-Jacques Rousseau?

Jean-Jacques Rousseau werd geboren op 28 juni 1712 in Genève en overleed op 2 juli 1778 in Ermenonville.

Waar is Rousseau vooral bekend van?

Vooral van Het sociaal contract (Du contrat social), Émile, de roman Julie, ou la Nouvelle Héloïse en zijn postuum verschenen Bekentenissen.

Wat waren de belangrijkste ideeën van Rousseau?

Rousseau bekritiseerde maatschappelijke ongelijkheid en stelde dat de mens niet vanzelf verdorven is, maar vaak door sociale verhoudingen wordt bedorven. Ook schreef hij invloedrijk over volkssoevereiniteit en opvoeding.

Was Jean-Jacques Rousseau getrouwd?

Ja. Hij leefde lange tijd samen met Thérèse Levasseur en trouwde met haar in 1768.

Waarom is Rousseau omstreden?

Vooral omdat hij vijf kinderen naar het vondelingenhuis liet brengen, terwijl hij met Émile een beroemd werk over opvoeding schreef. Ook zijn conflicten en achterdocht hebben zijn reputatie mede bepaald.