Pablo Picasso

Pablo Picasso

9 min lezen

Op 25 oktober 1881 kwam in Málaga een kind ter wereld met een uitzonderlijk lange doopnaam en een nog uitzonderlijker toekomst. De jongen die later bekend zou worden als Pablo Picasso groeide uit tot een van de bepalende kunstenaars van de moderne tijd. Hij was niet alleen schilder en tekenaar, maar ook beeldhouwer, graficus, keramist en ontwerper. Weinig kunstenaars hebben zo zichtbaar de koers van de beeldende kunst verlegd.

Zijn leven overspant een periode van ingrijpende veranderingen: de overgang van de 19e naar de 20e eeuw, de opkomst van de avant-garde, de Spaanse Burgeroorlog en twee wereldoorlogen. Tegen die onrustige achtergrond bleef hij zichzelf telkens opnieuw uitvinden. Juist dat voortdurende veranderen maakt zijn loopbaan zo opvallend.

Jeugd van Pablo Picasso in Málaga, A Coruña en Barcelona

Picasso werd geboren als Pablo Diego José Francisco de Paula Juan Nepomuceno María de los Remedios Cipriano de la Santísima Trinidad Ruiz y Picasso. In Spanje was het gebruikelijk om meerdere voornamen te dragen, maar deze naam springt zelfs dan nog in het oog. Later koos hij in zijn kunstenaarsnaam voor Picasso, de achternaam van zijn moeder, waarschijnlijk ook omdat Ruiz veel algemener was.

Zijn vader, José Ruiz Blasco, was tekenleraar en conservator van een plaatselijk museum. In het gezin speelde tekenen al vroeg een belangrijke rol. Het bekende familieverhaal wil dat de kleine Pablo als eerste woorden iets zei dat leek op “piz, piz”, afgeleid van lápiz, Spaans voor potlood. Zeker is dat niet, maar als overgeleverde anekdote zegt het iets over het beeld dat al vroeg rond hem ontstond.

In 1891 verhuisde het gezin naar A Coruña, waar zijn vader een aanstelling kreeg aan de kunstschool. Daar kreeg de jonge Picasso serieus tekenonderricht. In 1895 volgde een nieuwe verhuizing, ditmaal naar Barcelona. Dat jaar was ook persoonlijk zwaar: zijn zus Conchita overleed aan difterie. Biografen zien die gebeurtenis vaak als een schok die diepe indruk maakte, al is voorzichtigheid geboden bij het rechtstreeks verbinden van jeugdtrauma en later werk.

In Barcelona deed hij toelatingsexamen voor La Llotja, de kunstacademie waar zijn vader lesgaf. Volgens de overlevering voltooide hij het examen in opvallend korte tijd. Helemaal controleerbaar is dat verhaal niet, maar vast staat dat zijn talent onmiddellijk werd herkend. In 1897 trok hij naar Madrid om te studeren aan de Real Academia de Bellas Artes de San Fernando. Lang bleef hij daar niet. De academische discipline lag hem minder dan het zelfstandig kijken, tekenen en rondzwerven in het Prado, waar hij oude meesters bestudeerde.

Barcelona en Parijs: de vorming van een jonge kunstenaar

Aan het einde van de 19e eeuw was Barcelona een levendige stad vol artistieke en politieke discussies. Picasso verkeerde er in kringen van schrijvers, kunstenaars en intellectuelen, onder meer rond café Els Quatre Gats. Daar ontwikkelde hij niet alleen zijn stijl, maar ook zijn gevoel voor het moderne stadsleven.

Rond 1900 reisde hij voor het eerst naar Parijs. Die stad werd beslissend voor zijn verdere ontwikkeling. Hij ontmoette er kunstenaars, dichters en handelaren, onder wie Max Jacob, en maakte kennis met een kunstwereld die opener stond voor experiment dan de officiële academies in Spanje.

Tussen 1901 en 1904 ontstond wat later zijn Blauwe Periode is gaan heten. De schilderijen uit die jaren zijn sober van kleur en vaak gericht op armoede, eenzaamheid en kwetsbaarheid. De zelfmoord van zijn vriend Carlos Casagemas wordt vaak genoemd als een belangrijke aanleiding voor deze sombere toon, al is ook hier een al te simpele verklaring riskant. Kunst ontstaat zelden uit één oorzaak.

Vanaf ongeveer 1904 veranderde de sfeer in zijn werk. In de Roze Periode, die grofweg tot 1906 duurde, verschenen warmere tinten en onderwerpen uit het circus- en theaterleven. Acrobaten, harlekijnen en reizende artiesten bevolken deze schilderijen. Ze ogen lichter, maar blijven vaak ook iets afstandelijks en melancholisch houden.

Een hardnekkig misverstand is dat Picasso vervormde omdat hij niet realistisch kon schilderen. Zijn vroege werk laat juist zien dat hij de academische techniek uitstekend beheerste. De afwijking van het realisme was geen onvermogen, maar een bewuste keuze.

Les Demoiselles d’Avignon en het ontstaan van het kubisme

In 1907 schilderde hij Les Demoiselles d’Avignon, een werk dat nog altijd als een breuklijn in de kunstgeschiedenis geldt. Vijf vrouwenfiguren vullen het doek, hoekig, frontaal en onrustig opgebouwd. Het schilderij schokte tijdgenoten en werd niet meteen publiek getoond, maar achteraf bleek het een keerpunt.

Het is verleidelijk om dit ene werk het begin van het kubisme te noemen, maar zo eenvoudig ligt het niet. Les Demoiselles d’Avignon was vooral een radicale voorloper. Het kubisme ontwikkelde zich vervolgens in nauwe samenwerking met Georges Braque, vooral vanaf 1908 en 1909. Daarom geldt Picasso niet als enige uitvinder, maar als medegrondlegger van die nieuwe beeldtaal.

In het analytisch kubisme werden voorwerpen uiteengelegd in facetten en vanuit meerdere gezichtspunten tegelijk benaderd. Later, in het synthetisch kubisme, kwamen eenvoudiger vormen, kleurvlakken en nieuwe materialen in beeld. Daarmee veranderde niet alleen de stijl van schilderen, maar ook het idee van wat een schilderij eigenlijk kon zijn.

In 1912 maakte Picasso Stilleven met stoelzitting (Nature morte à la chaise cannée), een werk dat vaak wordt genoemd als een van de eerste collages in de moderne kunst. Voorzichtig geformuleerd: hij behoorde samen met Braque tot de pioniers van collage als volwaardig artistiek middel. Ook in de beeldhouwkunst zocht hij nieuwe wegen, onder meer met geconstrueerde sculpturen uit alledaagse materialen.

Theater, relaties en nieuwe richtingen

In 1917 werkte Picasso in Rome aan decors en kostuums voor de Ballets Russes, het invloedrijke gezelschap van Sergej Diaghilev. Daar ontmoette hij de danseres Olga Khokhlova, met wie hij in 1918 trouwde. Hun huwelijk bracht hem in contact met een mondainere wereld, iets wat in delen van zijn werk uit die jaren zichtbaar is.

Na de Eerste Wereldoorlog bewoog hij zich een tijdlang tussen verschillende stijlen. Soms schilderde hij opvallend klassiek aandoende figuren, soms bleef hij dicht bij kubistische experimenten. Dat heen en weer bewegen is kenmerkend: zijn ontwikkeling verloopt niet in keurige, afgesloten vakjes.

Vanaf het midden van de jaren twintig werd zijn werk grilliger, spannender en lichamelijker. Vaak wordt dan gesproken van een surrealistische fase. Hij was echter nooit officieel lid van de surrealistische beweging, ook al raakte zijn werk er wel mee verweven. Dat onderscheid is belangrijk. Hij werkte in de buurt van het surrealisme, maar bleef onafhankelijk.

In 1932 organiseerde hij in Parijs een grote overzichtstentoonstelling van zijn eigen werk. Dat hij zelf meedacht over de selectie en presentatie laat zien hoe bewust hij met zijn publieke beeld en zijn oeuvre omging.

Guernica, de Spaanse Burgeroorlog en politieke betrokkenheid

De Spaanse Burgeroorlog gaf zijn leven en werk een nieuwe lading. Picasso stond aan de kant van de Spaanse Republiek en werd in 1936 benoemd tot directeur van het Prado, al vervulde hij die functie vooral symbolisch en verbleef hij niet in Madrid. Zijn steun aan de republikeinse zaak maakte hem voor velen tot een belangrijk cultureel tegenbeeld van het Franco-regime.

In 1937 schilderde hij Guernica voor het Spaanse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Parijs. Aanleiding was het bombardement op de Baskische stad Guernica, uitgevoerd door de Duitse Condorlegioen-eenheid, die Franco’s troepen steunde. Over de precieze militaire context is veel geschreven, maar over de verwoestende uitwerking op burgers bestaat geen twijfel.

Het schilderij werd geen letterlijke reportage van de gebeurtenis. In plaats daarvan maakte Picasso een monumentaal beeld van ontwrichting, angst en geweld. Paard, stier, schreeuwende figuren en gebroken vormen vullen het doek in zwart, wit en grijs. Juist doordat het werk niet anekdotisch is, kreeg het een betekenis die verder reikt dan één plaats of één oorlog.

Tijdens de Duitse bezetting van Parijs bleef hij in de stad wonen. Hij exposeerde niet vrijuit en stond onder toezicht, maar hij bleef werken. Na de oorlog werd hij in 1944 lid van de Franse Communistische Partij. Voor sommigen was dat een principiële politieke keuze, voor anderen een omstreden stap gezien de latere geschiedenis van het communisme. Beide perspectieven horen bij zijn nalatenschap.

Latere jaren: keramiek, experiment en een enorme productie

Na de oorlog bleef Picasso opmerkelijk productief. In 1946 werkte hij in Antibes, waar een deel van zijn verblijf later zou uitgroeien tot het Musée Picasso. Niet lang daarna ontdekte hij in Vallauris de mogelijkheden van keramiek. Dat medium bood hem opnieuw een terrein om vorm, lijn en speelsheid te onderzoeken.

Zijn keramische werk was geen bijzaak. Borden, kannen, schalen en vazen werden dragers van gezichten, dieren en mythologische figuren. Hij behandelde klei niet als een ambacht onder zijn niveau, maar als een volwaardig artistiek materiaal. Dat past bij zijn hele loopbaan: telkens weer de grenzen van een medium opzoeken.

In 1961 trouwde hij met Jacqueline Roque, die een belangrijke plaats kreeg in zijn latere leven en werk. De laatste decennia bracht hij vooral door in Zuid-Frankrijk. Hij bleef schilderen, tekenen, etsen en modelleren met een energie die zelfs bewonderaars verbaasde.

Vaak wordt gezegd dat hij ongeveer 50.000 werken heeft nagelaten. Dat getal circuleert veel, al verschilt de precieze telling per bron en hangt ze af van wat men meerekent: schilderijen, tekeningen, prenten, keramiek, sculpturen en schetsen. Zeker is in elk geval dat zijn productie uitzonderlijk groot was.

Op 8 april 1973 stierf Picasso in Mougins, in Frankrijk. Hij werd 91 jaar oud.

De betekenis van Pablo Picasso

De invloed van Picasso is moeilijk te overschatten, al moet ook daar nuance bij. Hij heeft de abstracte kunst niet in zijn eentje “veroorzaakt”, maar zijn werk heeft wel krachtig bijgedragen aan de doorbraak van nieuwe manieren van kijken. Door vorm uiteen te nemen, perspectief los te maken en materialen vrijer te gebruiken, opende hij mogelijkheden waar talloze kunstenaars op voortbouwden.

Daarmee werd deze Spaanse schilder een sleutelfiguur in de moderne kunst. Niet omdat hij één stijl volmaakte, maar omdat hij bleef verschuiven: van vroege academische beheersing naar de Blauwe Periode, van de Roze Periode naar het kubisme, van collage naar sculptuur, van politiek geladen schilderijen naar keramiek en laat werk vol vaart. Zijn loopbaan laat geen rechte lijn zien, maar een reeks scherpe bochten.

FAQ

Wanneer leefde Pablo Picasso?

Hij werd geboren op 25 oktober 1881 in Málaga en stierf op 8 april 1973 in Mougins.

Waar is Pablo Picasso vooral beroemd om?

Vooral om zijn rol als medegrondlegger van het kubisme en om werken als Les Demoiselles d’Avignon en Guernica.

Was Pablo Picasso alleen schilder?

Nee. Hij werkte ook als tekenaar, beeldhouwer, graficus, keramist en ontwerper van theaterdecors en kostuums.

Wat is de Blauwe Periode van Picasso?

Dat is de fase tussen ongeveer 1901 en 1904 waarin hij vooral koele blauwe tinten gebruikte en vaak sombere, kwetsbare figuren schilderde.

Waar zijn werken van Picasso te zien?

Zijn werk bevindt zich in musea over de hele wereld, onder meer in Barcelona, Málaga, Madrid, Parijs en New York.