Otto von Bismarck

Otto von Bismarck

10 min lezen

In de Spiegelzaal van Versailles, tussen uniformen, vaandels en vorsten, werd in januari 1871 het Duitse Keizerrijk uitgeroepen. Otto von Bismarck stond daar niet als een romantische held uit een nationaal epos, maar als de koele regisseur van een proces dat hij met oorlog, diplomatie en berekening had gestuurd. Juist dat maakt hem zo opvallend: hij was geen dromer van nationale eenheid, maar een Pruisische conservatief die de eenwording van Duitsland naar zijn hand zette.

Otto von Bismarck geldt als de grondlegger van het Duitse Keizerrijk en als een van de invloedrijkste staatslieden van de negentiende eeuw. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met machtspolitiek, met de Pruisische staat en met een stijl van regeren die hard en doelgericht was. De bijnaam “IJzeren Kanselier” vat dat beeld samen, al doet hij ook iets tekort. Achter die reputatie schuilde namelijk een politicus die niet alleen met kracht, maar ook met geduld, timing en gevoel voor verhoudingen werkte.

Jeugd en afkomst van Otto von Bismarck

Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen werd geboren op 1 april 1815 in Schönhausen, in de Pruisische provincie Saksen. Hij kwam uit een Junkerfamilie: de landadel die in Pruisen veel invloed had in het leger, het bestuur en de politiek. Van huis uit kreeg hij dus een wereldbeeld mee waarin monarchie, orde en standsverschillen vanzelfsprekend waren.

Zijn vader, Karl Wilhelm Ferdinand von Bismarck, was een landeigenaar van oude adel. Zijn moeder, Wilhelmine Mencken, kwam uit een meer burgerlijk en bestuurlijk milieu en was intellectueel ambitieuzer dan haar echtgenoot. In die combinatie van adellijke traditie en bestuurlijke vorming ligt al iets van Bismarcks latere karakter besloten.

Hij studeerde rechten in Göttingen en later in Berlijn, tussen 1832 en 1835. In Göttingen kreeg hij de reputatie van een onstuimige student; hij nam deel aan studentenduels en leefde niet bepaald teruggetrokken. Na zijn studie begon hij in de Pruisische ambtenarij, onder meer in Aken en Potsdam, maar dat werk lag hem slecht. De vaste routine en de ondergeschikte positie benauwden hem, en hij verliet de dienst.

Daarna beheerde hij een tijdlang de familiebezittingen. In deze jaren ontwikkelde hij zich politiek tot een uitgesproken conservatief. Ook zijn religieuze overtuiging kreeg meer gewicht. Hij werd sterk beïnvloed door het piëtistische protestantisme en trouwde in 1847 met Johanna von Puttkamer. Het huwelijk gold als hecht; samen kregen zij drie kinderen.

Een verdeeld Duitsland als politiek strijdtoneel

Toen Bismarck opgroeide, bestond er nog geen Duitse natiestaat. Het Duitstalige gebied was verdeeld over tal van vorstendommen en koninkrijken, samengebracht in de Duitse Bond. Oostenrijk en Pruisen waren daarin de belangrijkste machten, maar hun belangen liepen lang niet altijd gelijk.

In die wereld botsten verschillende stromingen. Liberalen wilden grondwetten, parlementaire invloed en vaak ook nationale eenheid. Nationalisten droomden van een verenigd Duitsland. Conservatieven wilden de bestaande orde beschermen. Ondertussen veranderde de samenleving door industrialisatie, verstedelijking en de opkomst van nieuwe sociale groepen.

Bismarck stond aanvankelijk afwijzend tegenover het nationalisme van de liberalen. Tijdens de revolutiejaren van 1848 koos hij duidelijk de kant van kroon en adel. Een verenigd Duitsland was voor hem alleen aanvaardbaar als het de macht van Pruisen vergrootte en niet leidde tot een liberale volksstaat. Dat is een belangrijk verschil: hij schiep de Duitse eenheid niet uit idealisme, maar uit staatsbelang.

Later werd zijn manier van handelen vaak samengevat met het begrip Realpolitik. Dat woord werd niet door hem uitgevonden, maar past wel bij zijn optreden: geen politiek van beginselverklaringen alleen, maar van haalbare doelen, machtsverhoudingen en concrete winst.

De weg naar de top

Bismarcks nationale loopbaan begon in 1847, toen hij zitting nam in de Verenigde Landdag van Pruisen. Daar maakte hij naam als een fel verdediger van koninklijk gezag en conservatieve belangen. Tijdens en na de revoluties van 1848 viel hij op door zijn scherpe toon en zijn afkeer van liberale hervormers.

Zijn echte vorming als staatsman kwam in de diplomatie. In 1851 werd hij Pruisisch gezant bij de Bondsdag in Frankfurt, waar hij de verhoudingen binnen de Duitse Bond van dichtbij leerde kennen. Daar groeide ook zijn inzicht dat Pruisen en Oostenrijk uiteindelijk rivalen waren in de Duitse kwestie. Daarna volgden posten in Sint-Petersburg en Parijs, beide van groot belang voor zijn kijk op Europa.

In 1862 benoemde koning Wilhelm I hem tot minister-president van Pruisen en tegelijk tot minister van Buitenlandse Zaken. Dat gebeurde midden in een constitutionele crisis over legerhervormingen en begrotingsrecht. Bismarck kreeg dus niet alleen een hoge functie; hij trad aan op een moment waarop de verhouding tussen kroon en parlement op scherp stond.

Uit die beginfase stamt ook zijn beroemde verwijzing naar “ijzer en bloed”, in het Duits Eisen und Blut. Die uitspraak wordt vaak voorgesteld als een simpele oorlogsleus. In werkelijkheid was zij onderdeel van een rede waarin hij betoogde dat de grote kwesties van zijn tijd niet uitsluitend door redevoeringen en meerderheidsbesluiten zouden worden beslist. Het was een harde formulering, maar geen letterlijke oorlogsverklaring.

Oorlogen die de Duitse eenwording mogelijk maakten

De eenwording van Duitsland kwam niet in één stap tot stand. Bismarck werkte in fasen, telkens met een beperkt doel dat de positie van Pruisen versterkte.

In 1864 vochten Pruisen en Oostenrijk samen tegen Denemarken in de oorlog om Sleeswijk en Holstein. De aanleiding lag in een ingewikkelde kwestie van erfopvolging, bestuur en nationale aanspraken. De gezamenlijke overwinning leverde beide mogendheden invloed op in de hertogdommen, maar schiep tegelijk nieuwe spanningen tussen hen.

Die spanningen liepen uit op de oorlog van 1866 tussen Pruisen en Oostenrijk, vaak de Oostenrijks-Pruisische Oorlog of de Duitse Oorlog genoemd. Pruisen won snel en beslissend, vooral door de overwinning bij Königgrätz. Het gevolg was ingrijpend: de Duitse Bond werd ontbonden, Oostenrijk verloor zijn leidende rol in Duitse aangelegenheden en Pruisen kon de Noord-Duitse Bond vormen. In 1867 werd Bismarck daarvan bondskanselier.

De laatste stap volgde in 1870-1871 met de Frans-Duitse Oorlog. Daarbij speelde de zogeheten Emser Depesche een grote rol. Bismarck bewerkte de tekst van een diplomatiek bericht zo dat de spanning tussen Frankrijk en Pruisen verder opliep. Historici verschillen soms in nadruk: de een ziet hierin vooral een meesterzet van Bismarck, de ander wijst erop dat ook in Frankrijk de bereidheid tot escalatie groot was. Zeker is dat het conflict het Duitse nationalisme versterkte en de zuidelijke Duitse staten aan Pruisen bond.

Na de overwinning op Frankrijk werd op 18 januari 1871 in Versailles het Duitse Keizerrijk uitgeroepen. Wilhelm I werd Duits keizer en Bismarck de eerste rijkskanselier. De Duitse eenwording was daarmee een feit, maar wel op Pruisische voorwaarden: monarchaal, federaal en met een sterke uitvoerende macht.

Bismarck als rijkskanselier

Van 1871 tot 1890 was Otto von Bismarck de dominante figuur in het nieuwe rijk. Tegelijk bleef hij minister-president van Pruisen, wat zijn machtspositie nog versterkte. Formeel kende het keizerrijk een parlement, de Rijksdag, maar de regering was niet afhankelijk van een parlementaire meerderheid zoals in latere parlementaire stelsels. De keizer en de kanselier behielden de doorslag.

Dat maakte het Duitse Keizerrijk niet tot een absolute dictatuur, maar wel tot een staat waarin monarchie, bureaucratie en leger een zeer sterke positie hielden. Sommigen zien daarin een belangrijke erfenis van Bismarcks staatsopvatting. Anderen benadrukken dat hij ook moest werken binnen bestaande Pruisische tradities en machtsstructuren. Beide perspectieven helpen om zijn rol nuchter te beoordelen.

Binnenlands voerde hij in de jaren 1870 de Kulturkampf, een conflict tussen staat en katholieke kerk. Bismarck vreesde dat katholieken, georganiseerd in de Centrumpartij en verbonden met Rome, een zelfstandige machtsfactor vormden binnen het rijk. Er kwamen wetten die de invloed van de kerk op onderwijs en benoemingen moesten beperken. Die politiek stuitte op veel verzet en leverde minder op dan gehoopt. Uiteindelijk werd een deel ervan weer teruggedraaid.

Ook tegenover de socialistische beweging trad hij hard op. Na twee aanslagen op keizer Wilhelm I in 1878, waarbij de sociaaldemocraten niet als organisatoren waren aangewezen, gebruikte Bismarck de ontstane onrust om de socialistenwet door te voeren. Socialistische organisaties, bijeenkomsten en publicaties werden beperkt of verboden. Tegelijk probeerde hij arbeiders aan de staat te binden met sociale hervormingen.

Sociale wetgeving en koloniale politiek

Juist op dat punt is zijn nalatenschap opvallend. In de jaren 1880 voerde Bismarck een reeks sociale verzekeringen in: ziekteverzekering in 1883, ongevallenverzekering in 1884 en ouderdoms- en invaliditeitsverzekering in 1889. Daarmee legde hij een basis voor wat later de verzorgingsstaat zou worden genoemd. Dat gebeurde niet uit sociale bewogenheid alleen; het was ook een poging om sociale onrust te dempen en de aantrekkingskracht van het socialisme te verkleinen.

Toch waren die maatregelen historisch belangrijk. Ze maakten van de staat een actor die verantwoordelijkheid droeg voor risico’s van arbeid, ziekte en ouderdom. In dat opzicht was Bismarck vernieuwender dan zijn reputatie als louter reactionair politicus doet vermoeden.

Zijn houding tegenover koloniale expansie was eveneens minder eenvoudig dan vaak wordt gedacht. Lange tijd stond hij terughoudend tegenover overzeese bezittingen. Hij vond kolonies kostbaar en zag meer belang in de Europese machtsbalans dan in imperiale avonturen. Pas later gaf hij, onder druk van economische lobby’s, nationalistische kringen en veranderende internationale verhoudingen, ruimte aan Duitse koloniale verwerving.

In 1884-1885 vond in Berlijn de Congo- of West-Afrika-conferentie plaats, meestal de Conferentie van Berlijn genoemd. Bismarck trad daar op als gastheer. De bijeenkomst regelde niet simpelweg de volledige verdeling van Afrika, zoals soms te kort door de bocht wordt gezegd, maar zij gaf wel belangrijke regels en diplomatieke kaders voor de Europese koloniale expansie. Daarmee is zijn naam ook verbonden aan een hoofdstuk met zware gevolgen voor Afrikaanse samenlevingen.

Buitenlandse politiek na 1871

Na de stichting van het keizerrijk veranderde Bismarcks prioriteit. Voor 1871 had hij de Europese orde ontwricht om Pruisen groter te maken; daarna wilde hij juist voorkomen dat het nieuwe Duitsland door een coalitie van vijanden werd ingesloten. Zijn buitenlandse politiek werd daarom voorzichtiger en defensiever.

Hij probeerde vooral Frankrijk diplomatiek te isoleren en tegelijk werkbare relaties te onderhouden met Oostenrijk-Hongarije en Rusland. Dat leidde tot een ingewikkeld stelsel van bondgenootschappen en verdragen, waaronder de Driekeizersbond, de Dubbelalliantie met Oostenrijk-Hongarije en later het Herverzekeringsverdrag met Rusland.

Sommige historici zien hierin het hoogtepunt van zijn staatsmanschap: een systeem dat de vrede in Europa, ondanks veel spanningen, geruime tijd hielp bewaren. Anderen wijzen erop dat dit evenwicht sterk afhankelijk was van zijn persoonlijke regie en daardoor kwetsbaar bleef. Beide oordelen hebben grond.

Ontslag en laatste jaren

De val kwam niet door verkiezingen of een parlementaire nederlaag, maar door een conflict aan de top. Na de dood van Wilhelm I in 1888 en de korte regering van Friedrich III besteeg Wilhelm II de troon. De jonge keizer wilde zelf meer invloed uitoefenen en botste al snel met zijn machtige kanselier.

In 1890 moest Bismarck aftreden. Daarmee eindigde een politieke loopbaan die bijna drie decennia het gezicht van Pruisen en Duitsland had bepaald. Hij trok zich terug op zijn landgoed in Friedrichsruh, bij Hamburg, waar hij memoires schreef en zich nog geregeld in het publieke debat mengde.

Otto von Bismarck overleed daar op 30 juli 1898.

Nalatenschap van Otto von Bismarck

Weinig figuren uit de negentiende-eeuwse Europese geschiedenis roepen zo’n dubbel oordeel op. Otto von Bismarck was de architect van de Duitse eenwording, de eerste rijkskanselier en een meester in het bespelen van diplomatieke verhoudingen. Zonder hem zou het Duitse Keizerrijk waarschijnlijk niet op dezelfde manier, en zeker niet op hetzelfde moment, zijn ontstaan.

Tegelijk liet hij een staat na waarin parlementaire invloed beperkt bleef en waarin militaire, monarchale en bureaucratische macht zwaar wogen. Voor bewonderaars was hij de staatsman die Duitsland vorm gaf en Europa na 1871 stabiliteit bracht. Voor critici was hij ook de man die autoritaire trekken in het politieke bestel verstevigde en conflicten met tegenstanders eerder beheerste dan werkelijk oploste.

Zelfs zijn bekendste imago vraagt om nuance. De IJzeren Kanselier was niet van meet af aan een nationalist, niet eenvoudigweg een oorlogszuchtige politicus en ook niet altijd een overtuigd voorstander van koloniale expansie. Juist die mengeling van conservatisme, pragmatisme en strategisch inzicht maakt hem tot een blijvend omstreden, maar onmiskenbaar centrale figuur in de geschiedenis van Duitsland en Europa.

FAQ

Wanneer leefde Otto von Bismarck?

Hij werd geboren op 1 april 1815 en overleed op 30 juli 1898.

Waar werd Otto von Bismarck geboren?

In Schönhausen, in de Pruisische provincie Saksen.

Waarom is Otto von Bismarck beroemd?

Vooral omdat hij de belangrijkste architect was van de Duitse eenwording en de eerste rijkskanselier van het Duitse Keizerrijk werd.

Wat betekende de bijnaam IJzeren Kanselier?

Die bijnaam verwees naar zijn harde en doelgerichte stijl van politiek bedrijven, vooral in de jaren van Pruisische machtsuitbreiding en Duitse eenwording.

Waarom werd Bismarck in 1890 ontslagen?

Hij botste met keizer Wilhelm II over de koers van het beleid en over de vraag wie de leiding had binnen het rijk.